Vaccinatiebeheer bij honden
20 sep 2022
„Zoveel mogelijk honden vaccineren, maar slechts zo vaak als nodig is“, zo luidt het motto van deskundigen wereldwijd, zoals bijvoorbeeld de World Small Animal Veterinary Association (WSAVA) of de Permanente Vaccinatiecommissie voor Diergeneeskunde (StIKo Vet).
Met deze eis moet het huidige vaccinatiebeleid in de diergeneeskunde in het algemeen worden herzien en gemoderniseerd. Maar hoe kan deze eis van de deskundigen in de praktijk worden omgezet en hoe kan hieruit een modern, holistisch vaccinatiebeleid voor honden worden opgezet?
Vaccinatiebeheer bij honden in de praktijk De discussies over de frequentie van vaccinaties worden in de samenleving steeds luider gevoerd. Er bestaat grote eensgezindheid over het feit dat de noodzaak van de aanbevolen vaccinaties in het algemeen onbetwist en noodzakelijk is. Zoveel mogelijk dieren moeten de kernvaccins (core-vaccins) krijgen en voldoende immuniteit opbouwen.
Volgens de WSAVA mogen de kernvaccins na de eerste vaccinatieserie niet vaker dan eens in de drie jaar worden toegediend. Een herhalingsvaccinatie mag dus op zijn vroegst na drie jaar worden gegeven. Dit geldt echter alleen voor dieren die geen immuniteit meer hebben en bij wie een herhalingsvaccinatie dus daadwerkelijk noodzakelijk is.
De reden waarom niet alle dieren zonder meer na 3 jaar opnieuw moeten worden gevaccineerd, is simpel: de duur van de immuniteit (DOI) bedraagt vele jaren en kan tot het einde van het leven van het dier reiken. Bovendien is het volgens de WSAVA volkomen zinloos om dieren vaker te vaccineren dan nodig is om zo de antilichaamtiter te verhogen.
Bij bestaande immuniteit leidt een te vroege herhalingsvaccinatie niet tot een stijging van de antilichaamtiter en dus ook niet tot extra immuniteit.
Op basis hiervan schrijft een modern vaccinatiebeleid voor dat elk afzonderlijk dier zo zelden als nodig moet worden gevaccineerd. Maar hoe kan dit in de praktijk worden toegepast?
Allereerst moet per individu worden vastgesteld of het dier over voldoende immunologische bescherming beschikt. Actuele richtlijnen (bijvoorbeeld die van de WSAVA) bevestigen dat de aanwezigheid van antistoffen tegen het parvo-, hondenziekte- en adenovirus, ongeacht de titerhoogte, wijst op beschermende immuniteit en een immunologisch geheugen.
Voor deze drie parameters kan de eis van de vaccinatiecommissie voor een individueel vaccinatiebeheer bij honden in de praktijk worden geïmplementeerd door de aanwezigheid van antistoffen te bepalen.
Voor de zogenaamde antistoffentiter-test worden de individuele antistoffen van de hond in een bloedmonster bepaald. Volgens de WSAVA mag een vaccinatie tegen parvo-, hondenziekte- en adenovirus alleen plaatsvinden bij een negatieve titerbepaling. Hierbij moet worden opgemerkt dat alleen vaccinaties tegen parvovirus en hondenziekte als kernvaccins gelden.
Eerst testen, dan vaccineren! Dat is de conclusie van de deskundigen en moet de basis vormen voor een modern vaccinatiebeleid bij honden. Met deze strategie kan direct in de praktijk worden nagegaan of vaccinatie voor elk afzonderlijk dier noodzakelijk is.
De antilichaamtitertest vormt daarmee de basis voor het opzetten van een individueel vaccinatiebeleid en kan ofwel direct in de praktijk met een sneltest binnen enkele minuten worden uitgevoerd, ofwel kan een laboratoriumonderzoek worden aangevraagd.
Om tegemoet te komen aan de eis van de deskundigen uit de vaccinatiecommissies en een individueel vaccinatiebeheer op te zetten, blijft op dit punt de eis aan de farmaceutische industrie bestaan, maar ook aan de vergunningverlenende instanties dat alle drie de vaccins afzonderlijk verkrijgbaar en toegelaten moeten zijn, zodat de dierenarts de eis van de WSAVA ook in de praktijk kan uitvoeren.